Grondwettelijk Hof: referentieadres in een situatie van medische overmacht?

Feiten:

Een man zonder wettig verblijfsrecht vraagt aan het OCMW van Schaarbeek financiële ondersteuning en een referentieadres aan. Het OCMW weigert de financiële ondersteuning en het referentieadres aangezien meneer niet over een wettig verblijfsrecht beschikt, maar kent wel Dringende Medische Hulp toe. De arbeidsrechter veroordeelt het OCMW tot toekenning van een equivalent leefloon aangezien meneer medisch gezien niet in staat is om terug te keren naar zijn land van herkomst. Met betrekking tot het referentieadres besluit de arbeidsrechter om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Discussie:

Het Grondwettelijk Hof diende in deze kwestie te oordelen of er sprake is van discriminatie (art. 10-11 GW) wanneer personen zonder verblijfsrecht die zich in een situatie van medische overmacht bevinden op dezelfde manier behandeld worden als personen zonder verblijfsrecht die medisch gezien wel in staat zijn om terug te keren naar hun land van herkomst.

De wet van 19 juli 1991 ’betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten’ (hierna ‘wet van 19 juli 1991’) bepaalt de voorwaarden voor het verkrijgen van een referentieadres.

Art. 1, §2, vijfde lid van de wet van 19 juli 1991 stelt dat personen die bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben en die bij gebrek aan inschrijving in de bevolkingsregisters geen maatschappelijke bijstand kunnen genieten van een OCMW of om het even welk ander sociaal voordeel kunnen worden ingeschreven worden op het adres van het OCMW van hun verblijfplaats. Het Hof van Cassatie oordeelde echter bij een arrest van 12 oktober 2020 dat deze mogelijkheid beperkt wordt tot personen met de Belgische nationaliteit of vreemdelingen met een verblijfsrecht van meer dan 3 maanden. Dit komt erop neer dat mensen zonder wettig verblijfsrecht volgens deze rechtspraak geen referentieadres bij het OCMW kunnen aanvragen.

Het Grondwettelijk Hof stelt dat het feit dat een arbeidsrechter vaststelt dat een persoon zich al dan niet in de medische onmogelijkheid bevindt om terug te keren niets verandert aan het verblijfsstatuut van de persoon in kwestie en oordeelt dat er aldus geen sprake is van discriminatie door geen recht op referentieadres toe te kennen aan mensen zonder wettig verblijfsstatuut.

> Grondwettelijk Hof n°106/2023 van 29 juni 2023

17 oktober 2023


Documenten & formulieren
Publicaties
Wetgeving en rechtspraak