RvV – 9ter : Geen belang bij beroep als reeds gemachtigd tot verblijf o.b.v. art. 9bis

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) besluit in dit arrest 347 016 van 21 mei 2026 dat verzoekers die reeds gemachtigd werden tot een verblijf om humanitaire redenen op basis van artikel 9bis Verblijfswet (hierna “Vw.”) geen belang hebben bij de vernietiging van een weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) ten aanzien van hun aanvraag tot machtiging tot verblijf om medische redenen op basis van artikel 9ter Vw. De Raad verwerpt daarom het beroep.


Feiten :

Verzoekster diende op 16 november 2022 in eigen naam en voor haar twee minderjarige kinderen een beroep in bij de RvV tegen de beslissingen van de DVZ die hun aanvragen tot machtiging tot verblijf om medische redenen op grond van artikel 9ter van de Verblijfswet onontvankelijk verklaarde omdat ze intussen een tijdelijke verblijfsmachtiging (A-kaart) hadden verkregen op grond van artikel 9bis Vw.

Discussie :

Verzoekster voert aan dat de verblijfsmachtiging o.b.v. artikel 9bis Vw. tijdelijk is en aan voorwaarden voor verlenging is onderworpen die niet worden geëist bij de verlenging van een verblijf o.b.v. artikel 9ter Vw. De Raad verwerpt dit argument en benadrukt dat ook een verblijfsmachtiging op grond van artikel 9ter Vw. in beginsel tijdelijk is en dat de verlenging ervan eveneens aan (weliswaar andere) voorwaarden is onderworpen.

De Raad wijst er verder op dat artikel 9ter Vw. bedoeld is voor situaties waarin een terugkeer naar het land van herkomst of verblijf niet mogelijk is vanwege de onbeschikbaar- of ontoegankelijkheid van zorgen. De Raad beschouwt dat België nu het land van verblijf van verzoekers is en dat de aanvraag dus irrelevant is.

De Raad besluit dat de verzoekende partijen niet hebben aangetoond dat zij nog een actueel belang hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissingen.

Beslissing :

De Raad verwerpt het beroep tot nietigverklaring.

Opmerking :

Dit arrest gaat in tegen andere arresten van de RvV (waaronder arresten nrs. 327 890, 319 700, 298 471 en 280 893). In deze arresten erkende de Raad juist wel het belang van verzoekers om verder te gaan met het beroep tegen de negatieve beslissing van de DVZ over de aanvraag tot verblijfsmachtiging o.b.v. artikel 9ter Vw.

Deze arresten kaartten namelijk verschillen aan tussen beide verblijfsstatuten :

  • De verlengingsvoorwaarden : de verlenging van een verblijf o.b.v. artikel 9bis Vw. kan afhankelijk zijn van voorwaarden met betrekking tot financiële onafhankelijkheid, terwijl de voorwaarden die in het kader van artikel 9ter Vw. van toepassing zijn, gebaseerd zijn op medische criteria ;
  • De toegang tot een verblijf van onbeperkte duur : Een persoon die op grond van artikel 9ter een verblijfsmachtiging heeft verkregen, heeft vijf jaar na het indienen van zijn aanvraag recht op een verblijf van onbeperkte duur. Voor personen die op grond van artikel 9bis een verblijfsmachtiging hebben verkregen, beslist de DVZ daarentegen discretionair of hij een verblijfsmachtiging van onbeperkte duur toekent.

Bovendien stellen deze andere arresten dat België voor een artikel 9ter Vw. aanvraag logischerwijze niet als land van verblijf kan aangeduid kan worden daar het net een aanvraag is om een verblijf in België te bekomen.

Daarbovenop werd in deze uitspraken de reikwijdte benadrukt van §7 van artikel 9ter Vw., waarin wordt bepaald dat een aanvraag op grond van artikel 9ter Vw., ingediend door een persoon die reeds een verblijfsrecht van onbeperkte duur heeft, zonder voorwerp is. Deze bepaling heeft uitdrukkelijk betrekking op personen met een verblijfsrecht voor onbeperkte duur, zonder expliciet dezelfde behandeling voor te schrijven voor personen die slechts over een verblijfsmachtiging van beperkte duur beschikken.

> Lees hier het volledige arrest

30 octobre 2026


Documents & formulaires
Publications
Législation et jurisprudence