RvV : afgifte BGV na nietigverklaring visum C op basis van onvoldoende bestaansmiddelen omwille van DMH

In dit dossier heeft de DVZ voor de beslissing over het al dan niet toekennen van de verlenging van het visum de initiële voorwaarden voor het verstrekken van een visum opnieuw gecontroleerd en zodoende ook de voorwaarde van het beschikken over voldoende bestaansmiddelen. De DVZ oordeelde dat deze voorwaarde door het genieten van Dringende Medische Hulp (DMH) van het OCMW niet meer vervuld waren en heeft vervolgens een Bevel om het Grondgebied te Verlaten (BGV) afgeleverd.

Feiten :

Een persoon uit Guinée reist met een multiple entry toeristenvisum C naar België op 3 augustus 2017. Zijn aankomstverklaring verduidelijkt dat hij wettig in kort verblijf is tot 31 oktober 2017. Tijdens de duur van zijn kort verblijf in België heeft hij echter medische zorgen nodig waarvoor hij van het OCMW van Ganshoren een financiële tussenkomst op basis van Dringende Medische Hulp (DMH) ontvangt. Op 24 oktober 2017 vraagt hij een verlenging van het visum C aan omwille van medische redenen.

De Dienst Vreemdelingenzaken beslist echter om de verlenging niet toe te kennen en het visum nietig te verklaren (24.10.2017) samen met de afgifte van een Bevel om het Grondgebied te Verlaten (BGV) (27.10.2017). Ter motivatie van de afgifte van het BGV stelt de DVZ dat de persoon niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt aangezien hij DMH steun van het OCMW ontvangt. Het BGV kan echter worden verlengd tot 24.01.2018 onder een aantal voorwaarden, waaronder het opzeggen van de OCMW steun en het aantonen van de betaling van de recente medische kosten. De DVZ argumenteert dat deze voorwaardelijke verlenging van het BGV rekening houdt met de gezondheidstoestand van betrokkene en dus niet in strijd is met art. 74/13 W.1980 met betrekking tot de afgifte van een BGV.

De persoon dient op 06.12.2017 een annulatie- en schorsingberoep in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de afgifte van het BGV op basis van een schending van art. 3 EVRM. De beslissing tot annulatie van het visum en de weigering van verlenging worden niet aangevochten door de betrokken persoon.

De RvV beslist om het beroep tegen het BGV te verwerpen aangezien de verzoekende partij geen concrete elementen aantoont van dwingende humanitaire aard die aanleiding kunnen geven tot het annuleren van het BGV.

Discussie :

De afgifte van het BGV wordt gemotiveerd op basis van art. 7, 2° W.1980 dat verwijst naar het overschrijden van de wettelijk termijn kort verblijf en het gebrek aan voldoende bestaansmiddelen zoals geformuleerd in art. 7, 6° W.1980. Hoewel de verlenging van het visum tijdig werd aangevraagd, werd de wettelijke termijn kort verblijf geacht te zijn overschreden door de nietigverklaring van het visum.

Het gebrek aan voldoende bestaansmiddelen werd in dit dossier bewezen geacht door het feit dat de betrokkene DMH steun ontving van het OCMW. Deze informatie was wellicht afkomstig van de betrokkene zelf, want het OCMW is gehouden tot het beroepsgeheim. Er zijn geen informatiestromen mogelijk tussen de DVZ en het OCMW met betrekking tot de tussenkomst van het OCMW voor medische kosten. Voor een overzicht van de bestaande informatiestromen tussen het OCMW (POD MI) en DVZ verwijzen we naar de website van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid.

> Arrest van de RvV van 02.09.2021

1er février 2022


Documents & formulaires
Publications
Législation et jurisprudence